De kosten op Belgische beleggingsfondsen liggen hoger dan het Europese gemiddelde. Dat fnuikt het rendement.

Beleggers zijn helft rendement weer kwijt aan kosten

Beleggers zijn helft rendement weer kwijt aan kosten

Beleggers zijn helft rendement weer kwijt aan kosten

Beleggers zijn helft rendement weer kwijt aan kosten

Beleggers zijn helft rendement weer kwijt aan kosten
Beleggers zijn helft rendement weer kwijt aan kosten
  • 2019-02-11 07:00:02 9 maanden geleden
  • keer bekeken 3,232
38
gedeelde
Themabeeld Foto: belga
De kosten op Belgische beleggingsfondsen liggen hoger dan het Europese gemiddelde. Dat fnuikt het rendement.

Een gemengd Belgisch beleggingsfonds – met aan­delen en obligaties – bracht tussen 2015 en 2017 gemiddeld 4,91 procent op. Maar de belegger moet 2,39 procent van dat rendement opnieuw afgeven aan gemaakte kosten. Met andere woorden: de kosten doen bijna de helft van dat rendement (49 procent) wegsmelten. Ook als we over een langere periode kijken – zeven of tien jaar – zijn de kosten goed voor meer dan 40 procent van het rendement. Dat blijkt uit een recent rapport van de Europese autoriteit voor effecten en markten (ESMA). Onder die kosten vallen de lopende kosten (‘total expense ratios’ in het jargon), de abonnementskosten en de uitstapkosten.

Hoger rendement voor aandelenfondsen
Gemengde fondsen zijn in ons land met voorsprong de belangrijkste fondsencategorie, stelt het rapport. Voor andere fondsen liggen de kosten relatief lager. Aandelenfondsen haalden een dubbel zo hoog rendement, waardoor de al lagere kosten nog minder door­wegen: 18 procent van het rendement gaat op aan kosten. Bij obligatiefondsen is dat 48 procent, maar op langere termijn gaat het om een vijfde tot een kwart.

Daarmee scoort ons land zwak, in Europees perspectief. Van de 14 onderzochte landen liggen de kosten voor gemengde fondsen ­alleen in Ierland hoger. Nederland heeft de laagste kosten: amper 13 procent van het rendement. In Luxemburg, goed voor de bulk van de Europese beleggingsfondsen, is dat 37 procent – evenveel als het Europese gemiddelde.

Koen Maes, hoofd Asset Allocation Management bij vermogens­beheerder Candriam, waarschuwt dat vaak appelen met peren ver­geleken worden. Landen waar relatief veel actief beheerde fondsen uitgegeven worden, scoren gemiddeld hoog qua kosten. En het netto­rendement is een moment­opname, dat geen garantie biedt voor de toekomst. ‘Fondsen met relatief veel Amerikaanse aandelen hebben het de voorbije drie jaar beter ­gedaan’, zegt Maes. ‘Idem voor fondsen met overheidsobligaties, die het fantastisch deden omdat de rente maar bleef zakken. Maar zullen ze in de toekomst ook beter presteren?’

Kiezen voor trackers
De hoge kosten bij beleggingsfondsen doen heel wat beleggers voor trackers kiezen. Dat zijn ­financiële producten die niet actief beheerd worden, maar een index zoals de Nasdaq of de Bel20 volgen. De kosten – gemiddeld 0,4 procent per jaar, volgens de Belgische beurswaakhond FSMA – liggen vijf keer lager dan bij een beleggingsfonds. ‘De kosten liggen inderdaad lager maar beleggers verkijken zich soms op de makelaarskosten en op de spread tussen de aankoop- en verkoopprijs’, zegt Maes.

Door de kosten transparanter te maken, hoopt de Europese Unie dat ze zullen dalen – al loopt de invoering van een allesomvattende Europese vergelijking wel vertraging op (zie inzet). ‘Mensen willen waar voor hun geld’, zegt Maes. ‘Als de kosten relatief hoog zijn, verwachten ze een actief beheer en een goede opvolging en communicatie. Door meer transparantie zullen beleggers makkelijker van fonds veranderen. Sommige fondsen zullen de kosten moeten verlagen.’

Wat denk je van dit verhaal?
Beleggers zijn helft rendement weer kwijt aan kosten

‘Ouders moeten niet meer kiezen tussen opvang en muziekles’

Themabeeld Foto: Bart Dewaele
Steden en gemeenten mogen, wellicht vanaf 2021, zelf beslissen hoe ze de opvang van schoolkinderen organiseren. ‘Want iedere gemeente is anders’.

Gezinnen met jonge schoolgaande kinderen moeten zich vaak in bochten wringen om werk, school en vrije tijd op elkaar af te stemmen. Velen doen een beroep op de buitenschoolse opvang, omdat het einde van de schooldag nu eenmaal niet samenvalt met het einde van de werkdag. Dat vinden de kinderen zelf niet altijd erg, maar een deel van hen wil ook naar de voetbaltraining, of de dans- of de muziekles.

De drie Vlaamse meerderheidspartijen dienen nu een voorstel van decreet in dat tot een nieuwe aanpak van de buitenschoolse opvang zal leiden. Ze willen dat lokale besturen zelf het heft in handen nemen, en moedigen de gemeenten aan om daarbij naar meer creatieve oplossingen te zoeken.

‘Vandaag moeten kinderen kiezen: of naar de opvang, of naar de muziekles. Van die tegenstelling moeten we af’, zegt hoofdindiener Katrien Schryvers (CD&V). ‘Buitenschoolse opvang moet ook een leuke tijd kunnen zijn voor de kinderen, waarin ze ten volle kunnen deelnemen aan de samenleving.’

Geen praatbarak
Lies Jans (N-VA): ‘Op termijn zullen de lokale besturen hier financiering voor krijgen, via het Gemeentefonds. Dat biedt een grote meerwaarde, want het zijn de gemeenten zelf die weten wat de vraag is van hun bewoners, en welke de organisaties zijn die een aanbod willen doen. Elke gemeente is anders. We pleiten dus voor een lokaal overleg hierover, niet om er een praatbarak van te maken, maar om concrete oplossingen te zoeken.’

Er zijn verschillende mogelijkheden, zegt Jans: ‘De gemeente kan vervoer inleggen tussen opvang en andere activiteiten. Maar sportverenigingen en muzieklessen kunnen ook naar de opvang en de scholen zelf trekken. Nu hebben we te veel gebouwen die maar één functie hebben: waarom de sporthal van de school ’s avonds niet openstellen voor een sportvereniging bijvoorbeeld?’

De indieners, onder wie ook Freya Saeys (Open VLD), rekenen erop dat hun voorstel van decreet nog voor de paasvakantie wordt goedgekeurd. Er is al lang vraag naar, diverse steden en gemeenten hebben zelf al het voortouw genomen en in het parlement hebben er al veel hoorzittingen plaatsgevonden. Het nieuwe decreet zal dan uiterlijk op 1 januari 2021 van kracht worden.
‘Tegen de zomer moeten gemeenten hun meerjarenplanning opmaken. Dit decreet kan daarin een hefboom zijn’, zegt Jans, die zelf schepen is in Hasselt.

Voor de bestaande IBO’s, of initiatieven buitenschoolse opvang, die nu gefinancierd worden via Kind en Gezin, komt er een overgangsperiode van zes jaar. Schryvers: ‘Op termijn moeten zij ook binnen de lokale organisatie en financiering ingekanteld worden. We geven hen de tijd en de rust om daar naartoe te werken.’

Kleuters
Het decreet legt geen al te strenge regels op: dat is onmogelijk, als je zoveel verschillende sectoren – van jeugd over sport en cultuur tot onderwijs – met elkaar wil doen samenwerken, zeggen de indieners. Eén uitzondering: ‘Aanbieders van buitenschoolse opvang voor kleuters zullen nog steeds een kwaliteitslabel van Kind en Gezin kunnen krijgen, met extra financiering.’

Europa heeft niets te winnen bij treinfusie tussen Siemens en Alstom

Een hogesnelheidstrein nabij een Alstom-vestiging in Belfort, Frankrijk. Foto: Vincent Kessler/reuters

Veertig topeconomen steunen de beslissing van de Europese Commissie om de fusie tussen Siemens en Alstom te verbieden. Ze waarschuwen voor de misvatting dat fusies nodig zijn om Europese kampioenen te creëren.

We hebben met bezorgdheid gekeken naar de politieke druk op de Europese Commissie in het kader van de fusie tussen Siemens en Alstom, en nog meer naar de politieke reacties op de recente verbodsbeschikking. Vooral zorgwekkend is de aankondiging van mogelijke initiatieven door de Franse en Duitse regeringen om het Europese mededingingsbeleid te versoepelen en fusies tussen grote Europese bedrijven te bevorderen. Het mededingingsbeleid moet onafhankelijk zijn van politieke inmenging die een Europees industrieel beleid promoot, en in de plaats daarvan moet het efficiëntieoverwegingen in rekening brengen ter bescherming van het competitieve proces.

Misleidend

Het argument dat het volstaat dat twee bedrijven fuseren en in omvang vergroten om competitiever te worden op de internationale markten is misleidend. Siemens en Alstom zijn nu al leidende bedrijven op de internationale markten, en profiteren dus al van belangrijke schaalvoordelen. We hebben in het publieke debat geen verklaring gevonden waarom hun samengaan tot aanzienlijke efficiëntieverbeteringen zou leiden (en de Europese Commissie verklaart in haar persmededeling dat de bedrijven geen bewijsmateriaal gaven voor mogelijke efficiëntieverbeteringen).

Zonder efficiëntieverbeteringen zal het wegnemen van de concurrentie tussen Siemens en Alstom de winsten weliswaar verhogen, maar het zou het gefuseerde bedrijf minder competitief op internationale markten maken. Dat zou nadelig zijn voor zijn klanten, zoals de spoorwegmaatschappijen en infrastructuurbeheerders, die waarschijnlijk hogere prijzen zullen moeten betalen en minder innovatie en kwaliteit zullen kunnen genieten. Dat zal uiteindelijk ook de gebruikers van treinvervoer schaden. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de klanten zich fel tegen de transactie hebben gekeerd (indien Siemens competitiever was geworden na de fusie met Alstom, dan zouden zij de fusie net verwelkomd hebben).

Toegenomen marktmacht

De mededingingsregels verhinderen de vorming van nationale of Europese kampioenen niet, op voorwaarde dat de fusie voldoende sterke synergieën en complementariteiten tot stand brengt. De Europese Commissie verbiedt fusies uiteindelijk alleen in zeldzame gevallen, wanneer de verwachte concurrentiebeperkende effecten voor klanten en consumenten aanzienlijk zijn, en het weinig waarschijnlijk is dat er voldoende compenserende efficiëntiewinsten zijn.

Recente empirische studies documenteren een toegenomen marktmacht en concentratie, en verantwoorden eerder een strengere handhaving van de mededingingsregels, die alleen rekening mogen houden met objectieve efficiëntiecriteria en niet met politiek opportunisme. Europa heeft nood aan efficiënte, competitieve en innovatieve bedrijven. Fusies promoten die de concurrentie verwijderen, zou precies het tegenovergestelde bereiken.

Massimo Motta (ICREA-Universitat Pompeu Fabra and Barcelona GSE)

Martin Peitz (University of Mannheim and MaCCI)

Natalia Fabra (Universidad Carlos III de Madrid)

Chiara Fumagalli (Università Bocconi, Milano)

Amelia Fletcher (University of East Anglia)

Christine Zulehner (University of Vienna)

Thibaud Vergé (ENSAE, Paris)

Thomas Rønde (Copenhagen Business School)

Giancarlo Spagnolo (SITE-Stockholm School of Economics, EIEF and Tor Vergata)

Christos Genakos (University of Cambridge)

Frank Verboven (KU Leuven)

Justus Haucap, (Düsseldorf Institute for Competition Economics -DICE)

Tomaso Duso (DIW Berlin and Technical University Berlin)

Giacinta Cestone (Cass Business School, City, University of London)

Yannis Katsoulacos (Athens University of Economics and Business)

Paul Seabright (Toulouse School of Economics)

Giacomo Calzolari (European University Institute, Florence)

Monika Schnitzer (University of Munich)

Volker Nocke (University of Mannheim and MaCCI)

Markus Reisinger (Frankfurt School of Finance & Management)

Pedro Pita Barros (Universidade Nova de Lisboa)

Juanjo Ganuza (Universitat Pompeu Fabra, Barcelona)

Jacques Crémer (Toulouse School of Economics)

Yossi Spiegel (Tel Aviv University)

Bruce Lyons (Centre for Competition Policy, University of East Anglia)

Gerard Llobet (CEMFI, Madrid)

Konrad Stahl (University of Mannheim and MaCCI)

Klaus Schmidt (University of Munich)

Jose L. Moraga (Vrije Universiteit Amsterdam and Rijksuniversiteit Groningen)

Maarten Pieter Schinkel (University of Amsterdam)

Vincenzo Denicolò (Università di Bologna)

Michele Polo (Università Bocconi, Milano)

Philipp Schmidt-Dengler (University of Vienna)

Rune Stenbacka (Hanken School of Economics and Helsinki GSE)

Philippe Choné (Centre de Recherche en Economie et Statistique, Paris)

Nicolas Schutz (University of Mannheim and MaCCI)

Emanuele Tarantino (University of Mannheim and MaCCI)

Otto Toivanen (Aalto University and Helsinki Graduate School of Economics)

Kai-Uwe Kühn (University of East Anglia)

Luis Cabral (Stern School of Business, New York University)

Eric van Damme (Tilburg University)

Jan Bouckaert (University of Antwerp)

Marc Ivaldi (Toulouse School of Economics).

post your content
ADVERTISING

Easy Branches Met Global Network kunt u uw post in ons netwerk delen op elk continent of elk land in de wereld

Jouw bericht
boatshowchina.com expolifestyle.com
 Officiële website van de Europese UnieNaar de homepage van de nederlandse regering en RijksoverheidSea Yachting Magazine  Discover the Exclusive World of Yacht, Luxury Yachts with Matchless Design, Comforts and Style42 Grondwet), terwijl de Staten-Generaal (het parlement) bestaat uit de ... Het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden geeft regels omtrent het ... Hoewel artikel 81 van de Grondwet bepaalt dat wetten worden vastgesteld door de regeringimmediate for delivery new exclusive sports cars and luxury sports car for sale and purchase Evenementen feesten organisatieGuest post postingPrachtig Bijbels kinder behang, geïnspireerd door de mooiste verhalen.auto handel en sloperij Karel Presher Breda inkoop verkoop auto'svan hoof zonweringen en rolluikenOnze Bio Slager - Dé biologische horeca slagerij in BredaWelkom bij Rommelse Transport National vervoer - International vervoer - Stukgoederen vervoer - container vervoer - ADR - LZV - Paardenwagen verhuur - Chauffeur vacatures